zusterliefde

Tegen wil en dank ben ik thuis opgeklommen tot ‘hoofd huishouding’, met als bijbaan de alles-weer-aan-elkaar-lijmer. Dat laatste is letterlijk. Figuurlijk zou er geen beginnen aan zijn. Als een van mijn zussen iets uit haar handen laat vallen of wat omgooit, krijg ik steevast de verzamelde scherven. Ze gaan er gewoon vanuit dat ik er wel weer een herkenbare vorm van maak. Ze hebben gelijk, ik doe het altijd.

Langzaam maar zeker zijn wij, mijn zussen en ik, in een periode van ons leven beland dat het niet meer vanzelfsprekend is dat er ooit nog een substantiële verbetering zal plaatsvinden. Een status quo waarin we geen van drieën gelukkig zijn, maar waarin we ons tegelijkertijd schrap zetten tegen elke verandering. Angst is meestal groter dan bestaande misère. Mijn oudste zuster Alison is eigenlijk de gelukkigste. Zij heeft tenminste een passie, al is het een wonderlijke. Ze spaart ansichtkaarten uit alle windstreken. De hele wereld is in haar albums te vinden. Van een verkeersregelaar uit Madrid uit 1920, tot Piccadilly Circus by night of een groet uit een hotel in Cairo. Ze schikt en herschikt ze, leest de berichten op de achterkant, bestudeert de poststempels en voelt zich geloof ik een echte wereldreizigster. Soms benijd ik haar.

Mijn jongste zus Cath heeft hobby noch bezigheden. Of Dolores zou onder die categorie moeten vallen, haar zwarte bastaardpoedel die ze God weet waar vandaan heeft meegenomen. Vijf jaar geleden stond ze ’s avonds opeens voor onze neus. Na zoveel jaren afwezigheid herkende ik haar niet direct en wilde de deur al weer sluiten voor die zwijgende, starende persoon die blijkbaar vond dat haar verschijning voldoende boekdelen zou spreken. Dolores glipte echter naar binnen, waardoor Cath haar gewoon achterna ging. Ik was te verbouwereerd om haar tegen te houden, maar op het moment dat ik mijn hand omhoogstak om dat toch te doen, zag ik iets bekends. Het was de manier waarop ze haar kin naar voren stak. ‘Cath?’ ‘Ja, natuurlijk, wie anders?’Alsof ze zichzelf had aangekondigd. Alison had zich door het blaffen van de hond noodgedwongen losgerukt van het Rode Plein in Moskou of iets dergelijks, en was ook in de gang verschenen. ‘Cath? Wat krijgen we nou, waar kom jij vandaan?’

Uit Spanje, vertelde ze de volgende ochtend aan het ontbijt. Maar daarvoor was ze in Zuid-Amerika geweest waar ze had gewerkt als gezelschapsdame bij verschillende oude dames. De laatste was teruggegaan naar Spanje en had Cath meegenomen. Nadat haar werkgeefster was overleden had ze opeens behoefte gekregen weer eens een Hollandse winter te voelen en daar was ze. We hoefden ons nergens zorgen over te maken, het zou maar voor een paar maanden zijn. Onnodig te zeggen dat ze bleef. Ik wist dat al vanaf het moment dat ze haar eerste kopje thee aan haar mond zette.

Vroeger werden we in het dorp de ABC- zusjes genoemd: Alison, Beatrice en Catherine. Dochters van de notaris. We kregen elke dag schone witte sokjes aan en moesten met onze lakschoentjes buiten de plassen blijven. Onze vader, hij kon er waarschijnlijk niet zo veel aan doen, leek louter uit denken te bestaan. Het was zijn manier om de wereld aan te kunnen. Net als in ons huis, had in zijn denkwereld alles een vaste plek. Opgroeiende kinderen kwamen niet echt in dat systeem voor. Zolang we ons gedroegen en hij geen last van ons had, leverde dat niet zoveel problemen op, maar een kapotte knie en een moeder die even weg was voor een boodschap, was een onmogelijke combinatie voor hem. Hij sloot dwars door ons geschreeuw heen de deur van zijn kantoor en deed alsof de situatie niet bestond. Als kind was ik er al van overtuigd dat hij meer van de kat hield dan van ons en eigenlijk begreep ik dat wel. Er was iets aan ons dat niet zo leuk was.

Onze moeder leefde stilletjes haar leven in het grote huis. Ze vlocht ’s morgens onze haren en ’s middags kregen we een kopje thee met een speculaasje. Ze had allang geaccepteerd dat haar man meer met zijn werk was getrouwd dan met haar. Ze was een vriendelijke, weinig opvallende vrouw met zacht blond haar en een peinzende blik. Nooit uitgelaten, nooit verdrietig. Toen we net volwassen waren, overleed ze nogal plotseling aan een onschuldig lijkende infectie. Niemand had doorgehad hoe ziek ze was. Ze was niet zo’n klager. Haar dood had twee merkbare effecten. Als eerste bleek dat onze vader nog geen kop koffie kon, of wenste, te zetten. Daar had hij overduidelijk ons voor. En het tweede was dat wij elkaar vanaf dat moment soms wat schichtig aankeken, heimelijk onze kansen afwegend op ontsnapping. Alison was verloofd in die tijd en zou dat najaar gaan trouwen. Zij had dus de beste papieren om niet voor vader te hoeven zorgen. Haar pech was dat door het overlijden de bruiloft werd uitgesteld en tegen de tijd dat de rouwperiode voorbij was, de bruidegom een ander op het oog had. Alison slikte dit zonder enige mate van hysterie en kocht diezelfde week haar eerste ansichtkaart. Cath was destijds voor haar doen opmerkelijk stil, ik had met haar te doen omdat ik dacht dat ze veel verdriet had, maar in werkelijkheid broedde ze haar plan uit. Op een dag ging ze naar Amsterdam, zogenaamd om een paar dagen bij een tante te logeren. Het volgende dat we hoorden was dat ze op de boot naar Amerika zat en de overtocht betaalde door te werken als serveerster, ook al was haar kennis van vreemde talen rudimentair. Vader was woedend, maar kon er niets aan doen. Wij waren ook woedend, maar omdat we niet aan elkaar toe wilden geven waar we bang voor waren, spraken we er niet over. Eerst dachten we nog dat ze met de volgende boot wel terug zou komen, maar die gedachte bleek tevergeefs. Zo twee keer per jaar kwam er een brief. Ze maakte het goed en wenste ons het allerbeste. Meer had ze blijkbaar niet te schrijven.

Ondertussen zaten Alison en ik met vader opgescheept. Ik was zelf na de HBS in een soort niemandsland terecht gekomen. Eerst dacht ik nog dat ik ooit zou gaan studeren en toen ik dat maar steeds niet deed begon ik te fantaseren over trouwen. In ieder geval zou ik ontsnappen; alleen deed ik geen van beide. Niet uit overtuiging, maar uit gebrek aan ondernemingszin en zelfvertrouwen. Ik bleef, onder het mom dat ik Alison niet alleen kon laten. Er was een vreemd soort solidariteit tussen ons ontstaan. We hadden niet veel contact, maar waren wel lotgenoten.

Ik bleef ook nadat vader op een regenachtige dag met zijn auto in de slip raakte en net buiten het dorp tegen een boom reed. Hij was op slag dood. We hadden juist in die periode geen idee waar Cath was, dus begroeven we hem zonder dat zij er weet van had. Pas maanden later wisten we haar te bereiken. Ze nam het nieuws nogal kalm op. We waren halverwege de vijftig en vrij om de wereld in te trekken, maar als vanzelfsprekend bleven Alison en ik bij elkaar in dat grote huis. Het leek toen al overal te laat voor. Alles bleef zoals het was. We hadden niet de moed iets aan het interieur te veranderen en als er wat kapot viel repareerde ik het, zodat het zijn oude plek weer kon innemen.

Ik had net een Delfts blauw kannetje gelijmd toen de brief kwam. Alison zat in haar kamer met een woordenboek een bericht uit het Frans te vertalen dat een man tachtig jaar geleden aan zijn jarige verloofde had gestuurd en Cath lag in haar gebruikelijke middaglethargie op de sofa in de voorkamer. Haar enige zichtbare activiteit was nippen aan de thee die ik ‘s middags altijd voor haar klaarzette op het rieten bijzettafeltje. Blijkbaar had ze eindeloos veel om over na te denken, maar het zou ook heel goed kunnen dat ze zelfs dat niet deed. De envelop zag er chique uit. Zwaar papier met een postzegel van België erop. Ik bekeek de envelop wat argwanend. Er stond alleen onze familienaam op, geen voorletters. Voor de zekerheid informeerde ik even of een van mijn zussen een brief verwachtte, maar uit een luie hoofdbeweging en een ongeduldig grommen begreep ik dat dat niet zo was. Ik maakte hem dus open en terwijl ik dat deed snoof ik een vleugje rozengeur op. Doordat ik het handschrift niet herkende keek ik eerst naar de afzender, Dorothee Vandamme. Het zei mij niets. De inhoud was kort en duidelijk. Deze Dorothee beweerde een dochter van onze vader te zijn, ze zei daar zwart-op-wit bewijzen voor te hebben en ze stelde voor volgende week langs te komen om ‘een verzoek te doen’. Ik mag wat weinig roekeloos zijn, maar ik ben niet helemaal achterlijk. Ik begreep direct dat er eigenlijk stond dat ze een deel van de erfenis kwam opeisen. Het spookbeeld van het huis te moeten verkopen was direct aanwezig. De brief was eigenlijk een mooi verpakte en lekker geurende bom en met een bom kun je het beste wat doen voordat hij afgaat. Al snel begreep ik dat ik van mijn zusters niets hoefde te verwachten. Alison kon gewoon niet geloven dat zoiets waar kon zijn en wilde zo snel mogelijk terug naar een bestelling van een avondmantel bij een Rotterdams warenhuis uit de dertiger jaren. Ze heeft altijd wat moeite met prioriteiten gehad. Van Cath echter had ik in dit geval wat meer actie verwacht, haar comfortabele leventje kon immers in gevaar zijn. Maar daar vergiste ik mij in. Ze kon zich er niet druk om maken zei ze. Hoe zou vader nou een kind bij een ander kunnen hebben gehad? Hij was altijd aan het werk en bovendien getrouwd. Ik zuchtte even bij zo’n duidelijk gebrek aan fantasie. Binnen tien minuten was het mij duidelijk dat als ik niets deed, niemand wat zou doen.

Het leek mij het beste, eigenlijk wist ik niets anders te bedenken, die Dorothee uit te nodigen en ik schreef haar dezelfde avond nog terug. Met angst in mijn hart, dat wel. Vooral de eerste letter van haar voornaam baarde mij zorgen. Ik wist haast zeker dat mijn vader, zelfs bij een buitenechtelijk kind, gewoon verder zou zijn gegaan met het alfabet.

De dagen daarna was ik zo nu en dan wat licht in mijn hoofd. Mijn zussen deelden mijn zorg nog steeds niet en brachten hun dagen door zoals ze gewend waren. Dit betekende uiteraard dat ik dat ook moest doen, anders zou er van het huishouden niet veel terecht zijn gekomen. Op de afgesproken dag arriveerde Dorothee stipt op tijd. Ik had een bonkende hoofdpijn die zich niet weg had laten slikken door aspirines. Het eerste wat ik zag was dat ze jonger was dan wij en eerlijk gezegd ook mooier dan een van ons ooit was geweest. Ze glimlachte terwijl ze de kamer keurend rondkeek en als ze al wat vond van de volkomen uit de tijd geraakte meubels, dan zei ze dat niet. ‘Laat ik maar gelijk ter zake komen,’ zei ze nogal zelfverzekerd, terwijl ze elegant haar theekopje vasthield. ‘Ik ben in Brussel opgegroeid als enig kind zonder vader. Mijn moeder heeft nooit willen zeggen wie mijn vader was, maar na haar overlijden vond ik dit.’ Ze hield nonchalant een kopie van iets omhoog dat akelig veel leek op een brief in het handschrift van vader. Alison leek opeens wakker te worden. Misschien omdat ze gewend was aan geschreven verhalen, misschien toch ook wel omdat ze zich plotseling realiseerde dat het echte leven ook zomaar binnen kon dringen in haar vesting. ‘Geef mij die brief eens,’ zei ze, voor haar doen vinnig. Ze las hem met duidelijk stijgende verontwaardiging. Dit is een brief van vader waarin hij aan ene Louise Vandamme schrijft dat hij financieel voor haar kind zal zorgen omdat het hun dochter is, maar dat hij als voorwaarde stelt dat het kind nooit zijn naam te weten komt. Ze hapte naar adem en keek ons beurtelings aan. Haar gezicht had inmiddels een paarse tint. ‘Maar dat heeft hij ons nooit verteld!’ Dat leek mij nogal logisch, maar het had geen zin om dat hardop te zeggen. De bom was ontploft.

Cath begon onbedaarlijk hard te lachen en Dolores, opgewonden door zoveel leven in de brouwerij, sprong blaffend om iedereen heen, waarbij ze een kopje van de tafel stootte dat op het parket kapot viel. De chaos was compleet toen Alison, inmiddels in tranen, Dolores bij haar halsband probeerde te pakken om verdere schade te voorkomen, waardoor Cath zo mogelijk nog harder moest lachen dan eerst. ‘Dat lijmt Beatrice wel, dat vindt ze zo-o leuk,’ kon ze nog net hikkend uitbrengen. Ik vond helemaal niets leuk, ik probeerde alleen maar mijn bonkende hoofd te negeren. Nadenken leek definitief iets uit het verleden te zijn.

Midden in dit pandemonium zat Dorothee rustig op haar stoel, alsof ze het allemaal doodnormaal vond. Wonderlijk genoeg voelde ik opeens sympathie voor haar. Ze leek zo zonder oordeel, terwijl ze toch zat te kijken naar een stel overspannen dames van middelbare leeftijd die totaal de weg kwijt waren. Ze kuchte beschaafd en begon zonder enige stemverheffing te spreken, waardoor mijn zusters stil vielen en haar met open mond aankeken. Mijn sympathie ging over in fascinatie. Het was niet haar bedoeling zoveel commotie te veroorzaken, zei ze. Integendeel, ze was benieuwd om haar familie te leren kennen en was hier niet gekomen om wat dan ook te eisen, al had ze wel een vraag. ‘Wat dan?’ piepte Alison, nog steeds wantrouwend. ‘Ik ben te weten gekomen dat onze vader notaris was en omdat ik dat zelf ook ben, zou ik zo graag eens in zijn kantoor rondkijken, als dat er nog is, om hem beter te leren kennen.’ Niemand van ons kwam ooit nog in de werkruimte van vader, we hadden er niets te zoeken, maar ik had er geen bezwaar tegen die te laten zien. Ik kwam al omhoog om Dorothee uit te nodigen mee te lopen, toen zowel Alison als Cath mij sissend gebaarden weer te gaan zitten. ‘Wij kunnen dat niet toestaan ben ik bang,’ zei Alison, vol vernieuwd zelfvertrouwen bij het horen van zo’n bescheiden verzoek. ‘Vader duldde nooit iemand van ons in zijn kantoor.’ ‘Maar hij is toch al lang overleden?’ vroeg Dorothee volkomen terecht. ‘Natuurlijk, maar toch kan het niet en ik verzoek u met klem nu te vertrekken, direct. U hoeft ook niet meer terug te komen.’ Ik had Alison zelden zo stellig gehoord. Cath wist niets beters te doen dan hard mee te knikken en instemmende geluiden te produceren. Ze stonden allebei op om Dorothee gedecideerd naar buiten te werken. Ik zat alleen maar en zat nog steeds toen ik de voordeur met een knal hoorde dichtslaan.

Rechtvaardigheid hing in ons huis altijd al achteloos aan de kapstok, als een vergeten zomerjas in hartje winter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *