De competitie

Beer is slecht gehumeurd en niet zo’n beetje ook. Ontevreden kijkt hij naar zijn dikke buik en ruwe vacht. Het is altijd hetzelfde liedje aan het eind van de zomer, dan vindt hij zichzelf te oud, te dik en te lomp. Dat hij gisteren met slang heeft gesproken, doet er ook geen goed aan. Die vertelde hem tussen neus en lippen door dat zij ieder keer als vanzelf een nieuw vel krijgt door haar oude huid gewoon af te stropen. Wat een onuitstaanbaar beest is dat toch, zo op te scheppen over het feit dat de natuur haar blijkbaar zo goed heeft bedeeld. Alsof hij er wat aan kan doen dat een beer is zoals een beer is. Hij is nog gek ook dat hij zich er wat van aantrekt.  Evengoed blijft hij zijn buik dik vinden. Er moet toch echt wat gebeuren, maar wat? In een streng dieet en elke dag borstelen heeft hij niet zo’n zin.

Mokkend kijkt hij in de rondte. Daar komt warempel die glibber al weer aan. Wat zou ze hem nu nog willen vertellen? Hij kijkt snel om zich heen of er een plek is om zich te verstoppen,  maar hij kan niet zo gauw overeind komen en ze is al bij hem voordat hij de bosjes in kan duiken.                                                                                                                         ‘Hallo beer, alles goed?’                                                                                                                       ‘Nja’                                                                                                                                                    ‘Je ziet er niet echt vrolijk uit. Wat scheelt er aan? Ben je tegen een boom gelopen en heb je hoofdpijn? Of kreeg je een brief van je neef dat hij de erfenis van jullie oom krijgt? Of heb je een kan honingwijn laten vallen? Dat zou trouwens wel goed voor je lijn zijn. Of . . . ach ik weet het al, het komt gewoon door de herfst.  Zo vlak voor die geweldig lange slaap van jullie is er altijd ontzettend veel te doen en daar heb je geen zin in.’                                             ‘Houd je eigenwijze tong slang, mijn enige probleem is jouw gewauwel.’                             Boos staat beer op en loopt zo stoer mogelijk weg. Zij mag in geen geval zien dat hij zich niet zo soepel meer beweegt.

Die nacht droomt beer van een slang op spiesjes, die langzaam wordt geroosterd.

De volgende dag komt hij haar natuurlijk weer tegen. Altijd al zeer in haar sas met zichzelf heeft ze nu een nieuwtje en lispelt ze links en rechts dat ze is gevraagd voor een fotosessie vanwege haar prachtige figuur en natuurlijke uitstraling. ‘Vanzelfsprekend zullen ze beer dáár nooit voor vragen’, hoort hij haar nog net tegen merel zeggen. Beer loopt door zonder iets te zeggen en hoopt dat de stoom die hij ter hoogte van zijn oren vermoedt, onzichtbaar is. Dit gaat zo niet langer. Dat serpent is erger dan een bosbrand of een niet te ontkennen uitgezakte buik. Hij besluit er met zijn buurman over te gaan praten. Hert heeft vaak goede ideeën. Hij voegt meteen de daad bij het woord en gaat bij hem langs. Nadat hij de situatie heeft uitgelegd schudt hert zijn kop eens een paar keer. ‘Beer, beer’, zegt hij. ‘Dat is niet zo mooi, we zullen die slang eens een lesje leren. We vragen haas om mee te doen en dit is wat we nodig hebben…’

De volgende dag staat beer vroeg op.  Er is een hoop te doen en hij heeft er warempel zin in. Met zijn schop over zijn schouder gaat hij op pad en op een rustige plek begint hij te graven. Het kost hem de nodige zweetdruppels, maar daar laat hij zich niet door afleiden. Net als hij het gat diep genoeg vindt, ziet hij zijn buurman aankomen met een tamelijk grote mand. Ze zetten hem in het gat en kijken tevreden naar beneden. Nu nog wat dunne twijgjes en losse bladeren er overheen en wat water scheppen uit het meer zodat het naast het gat lekker blubberig wordt. Met het oog op de fotosessie zal ze die plekken zeker vermijden.

Terwijl er zo hard gewerkt wordt, is haas bij slang gearriveerd en vraagt haar zijn moeder die ochtend nog even te bezoeken. Zijn moeder is immers slecht ter been, dus die kan niet naar haar toekomen. ‘Dat weet je toch wel slang? En zij heeft wat voor je, een kettinkje of zo voor op de foto, dat wil ze je geven.’ Daar is slang wel voor te porren. ‘Vooruit maar, het is maar een kleine omweg en het is erg lief van je moeder.’                                                 Haas, die stiekem een schietgebedje doet dat zijn moeder hem dit vergeeft of liever, nooit te weten komt, gaat samen met slang op weg. Halverwege herinnert hij zich opeens dat hij nog een boodschap moet doen en hupt weg voordat zij kan protesteren. Omdat ze midden in een zin is waarin ze haar teint tot in de finesses beschrijft, kan ze ook niet snel genoeg overschakelen. ‘Nou ja, wat een brutaliteit!’, mompelt ze zachtjes voor zich uit. Gelukkig weet ze zelf ook de weg wel, als ze nou eerst dat kettinkje maar krijgt. Ze zet er de vaart in, toch een beetje ongerust dat ze straks te laat op de open plek is, waar ze met de fotograaf heeft afgesproken.

Later zou ze het niet precies kunnen navertellen, maar het ene moment zigzagt ze nog op het pad en het volgende moment valt ze en zit ze in het donker in een kleine benauwde ruimte. Wat is er aan de hand? Het duurt even voordat de sterretjes voor haar ogen zijn vertrokken. Als ze het volgende moment beer hoort grinniken, weet ze hoe laat het is en barst ze in een woedende tirade los. Het heeft geen enkele zin. Ze voelt dat ze wordt opgetild met mand en al. Even ziet ze nog een glimp van bomen en de lucht en dan is het weer donker; hebben ze nog een deksel op die mand gedaan ook! Ze scheldt erop los totdat ze geen stem meer over heeft.

De fotograaf heeft net zijn spullen klaar gezet, als hij een hert aan ziet komen.                   ‘Hallo hert’, zegt hij gemoedelijk ‘Kom je eens kijken wat hier allemaal gebeurt?’            ‘Nee, ik heb een boodschap voor je. Slang heeft helaas een onfortuinlijk ongeluk gehad en zit in het verband. Mijn vriend brengt haar zo, maar ik ben bang dat je er niet veel aan hebt voor je foto’s.’  Voordat de fotograaf kan antwoorden ziet hij een beer aan komen lopen met een soort pakketje in zijn armen. Als ze dichterbij zijn ziet hij een langwerpig, mummieachtig voorwerp dat van top tot teen in het verband zit en kreunende geluiden produceert.                                                                                                                                           ‘Dat ziet er lelijk uit heren. Ik had toch durven zweren dat slang veel slanker en langer was. Zij lijkt nu meer dan gehalveerd en zo bobbelig. Die arme slang. Toch maar snel een fotootje maken’, mompelt de fotograaf.                                                                                       ‘Ja, het is tragisch genoeg, maar het was echt een lelijke val waardoor ze onder de bulten zit en het grootste deel van haar lijf is kwijtgeraakt. Het komt helaas nooit meer goed. Een carrière als fotomodel kan ze echt vergeten’.

Nadat ze de fotograaf de kortste weg uit het bos hebben gewezen, weten hert en beer niet hoe snel ze hun vriend uit zijn benarde positie moeten bevrijden. Snakkend naar adem staat haas even later weer naast hen, nog natollend van het uitrollen. Ze kijken elkaar aan en vallen het volgende moment over elkaar heen van het lachen.  Als ze uitgelachen zijn, wat tamelijk lang duurt, vindt hert dat ze nu slang weer moeten bevrijden. Het is zo mooi genoeg geweest. Beer is het daar niet helemaal mee eens, maar omdat hij zich sinds tijden niet meer zo goed heeft gevoeld stemt hij er toch mee in. Als ze bij de mand komen haalt beer de steen van het deksel en tilt het op. Beducht voor minstens een nieuwe voorraad scheldwoorden kijkt hij voorzichtig over de rand, maar in plaats van een slang ligt er een briefje op de bodem van de mand.                                                                                           ‘Beer, je moet vroeger opstaan. Ik ben niet voor één gat te vangen.’                                    Het staat er luid en duidelijk. Beer moet er even van slikken, die donderse slang is hem te snel af geweest. Zo te zien heeft ze een gat in de mand geknaagd waardoor ze is ontsnapt.

De volgende dag waait er een vlaag van opwinding door het bos. Op de voorpagina van de ochtendkrant staan namelijk twee grote kleurenfoto’s van hun eigen slang. Op de eerste is een gebocheld mummieachtig wezen te zien en op de tweede staat slang in vol ornaat, in een zeer uitdagende houding. Ze ziet er prachtig uit met haar glimmende vel, stralende ogen en een glimlach die haast breder is dan haar kop. Nog opwindender dan de foto’s,  is het verhaal dat erbij staat afgedrukt en dat melding maakt van een vreselijk ongeluk en een miraculeus herstel. ‘Uit de dood ontsnapt en door goddelijke interventie weer in ons midden zonder een schubje schade.’                                                                                           ‘Ach ja,’ is slang zo goed eraan toe te voegen: ‘Ik ben duidelijk een bevoorrecht dier.’ Ze verzwijgt natuurlijk dat ze het hele toneelstukje heeft zien gebeuren, de fotograaf kalmpjes heeft ingehaald en het verhaal heeft aangevuld zoals het haar aanstond. Gelukkig voor haar was hij van een goedgelovig soort of zag hij zijn kans schoon voor een spectaculair verhaal.

Als er in de krant geen foto bij had gestaan van een zwaar gehavende slang helemaal in het verband die gedragen moest worden door beer, had niemand het bizarre verhaal geloofd, maar nu was er toch een overduidelijk bewijs. Zelfs beer moest toegeven dat het echt was gebeurd. Hij had geen keus, de waarheid was nog erger. En zo werd slang een held.

Beer zou die winter een opmerkelijk lange winterslaap houden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.